
Leestijd: 4 min
“Het is beenmergkanker, en het gaat niet meer over.” Jan Pool (71) weet dat hij binnenkort zal overlijden, en is bang. Tegelijkertijd blijft hij in God geloven en spreekt hij over hoop. Dé persoon om jou op de EO-Jongerendag meer te vertellen over het thema ‘Fearless Generation’, toch?
Het begon met rugpijn. Jan dacht aan iets simpels, zoals een hernia. Maar toen kwam het telefoontje van zijn arts: “Ik heb een slechte boodschap voor u…” Jan heeft geen hernia, maar uitzaaiingen. Kanker. In twee wervels. De kankercellen drukken op een zenuwbaan, wat af en toe ondraaglijke pijn in zijn rug veroorzaakt.
Jan hielp als voorganger jarenlang andere mensen in moeilijke tijden. En nu zit hij er zelf middenin. “Ik was onrustig, verdrietig en bang”, vertelt hij. “Zo belandde ik in een soort overlevingsmodus.” Toch gebeurde er na een paar dagen iets wat hij niet had zien aankomen. “Het voelde alsof Jezus ineens heel dichtbij kwam. Rust, midden in de stress.” Hij had er niet eens om gevraagd, zegt hij. Maar die rust bleef.
Desondanks bleef het heftig. Na heel wat onderzoeken wordt duidelijk dat Jan de ziekte van Kahler heeft, oftewel: beenmergkanker. In de maanden daarna ging het vaak maar om één ding: beter worden. “In de eerste maand na de diagnose heb ik enorm gebeden en was ik er heel veel mee bezig. Tot ik merkte dat het een kramp voor me werd. Toen wist ik: deze weg moet ik niet gaan. Ik kom uit de charismatische wereld, waarin mensen gemakkelijk kunnen doorslaan als het gaat om geloven in genezing. Dat wil ik niet, want God is méér dan genezing. Wij hebben de neiging God in stukjes te knippen: we pakken één eigenschap van Hem en gaan daar helemaal voor. Maar als genezing het enige is waarop je gericht bent, kun je enorm teleurgesteld raken.”
“Na de diagnose heb ik me vijftig dagen teruggetrokken: geen social media, geen Netflix, geen afspraken. Wel stilte, bidden en in de Bijbel lezen. In die periode leerde ik twee dingen. Het eerste: kan ik leven met alleen het besef dat God van me houdt? Ik wil namelijk graag betekenisvol zijn, en dat kan nu niet. Dus het was alsof God aan mij vroeg: ‘Ben Ik voldoende voor je?’ De tweede les die ik leerde, is die van dankbaarheid. Dankbaar zijn is niet moeilijk als alles goed gaat, maar ik wil juist leren om dankbaar te zijn, wanneer er voor mijn gevoel geen aanleiding voor is. Dankbaar zijn voor het feit dat ik nog leef; dat ik een lieve vrouw heb, geweldige kinderen, kleinkinderen, lieve vrienden. Dankbaarheid is voor mij een belangrijke sleutel geworden tijdens mijn ziekte.”
“Ik heb het losgelaten en bid niet meer voor genezing. Mijn vrienden bidden er wel nog steeds voor, maar ik zit niet meer in die kramp.” Glimlachend: “Dus ben ik hoopvol? Já, ik ben hoopvol en leef in de verwachting dat God nog steeds wonderen kan en wil doen. Tegelijkertijd heb ik gesprekken met mijn vrouw en kinderen gevoerd, die ik nog nooit met hen heb gevoerd, juist met het oog op misschien een afscheid.”
“Natuurlijk zie ik ernaar uit om Jezus te ontmoeten, maar de gedachte dat ik mijn vrouw, onze kinderen en kleinkinderen hier achterlaat, is bijna onverdraaglijk. Maar één ding weet ik zeker: ik kom daar waar God is, in een oceaan van liefde.”


