
Leestijd: 8 min
Eén gezin, maar niet iedereen heeft dezelfde vader of moeder: de zusjes Deborah (15) en Rozemarijn (13) waren zelf nog erg klein toen hun ouders besloten pleegkinderen in hun gezin op te nemen. Sindsdien kent het gezin verschillende samenstellingen. Nu wonen zusje Janice (9) en broertje John (8) vast bij hen. “Ik zou niet anders willen!”

Jendrick (18) woont in een pleeggezin: ‘Diezelfde dag zat ik in een busje naar een andere familie’
Rozemarijn: “Deborah en ik waren zes en vier jaar oud toen John en Janice bij ons kwamen wonen. Ze zijn dus langer wél in mijn leven dan niet.”
Deborah: “Voordat John en Janice in ons gezin kwamen, namen onze ouders weleens crisiskindjes op. Dat er extra kinderen in huis waren, was dus niet nieuw. Maar die kinderen gingen na een korte tijd weer weg, terwijl John en Janice bij ons bleven.”
Rozemarijn: “We zijn samen opgegroeid. Daardoor voelen ze echt als ons broertje en zusje.”
Deborah: “Ja, mijn opa en oma zijn ook hun opa en oma, ook al is dat biologisch gezien niet zo.”
Deborah: “Janice en John zijn halfzus en halfbroer van elkaar. Ze hebben dezelfde moeder, maar een andere vader. Janice kwam eerst in ons gezin. Ik weet nog dat ik terugkwam van school en dat er mensen op de bank zaten met een baby’tje.”
Rozemarijn: “En bij John kregen onze ouders een brief met de bevestiging dat hij ook bij ons mocht komen wonen. Dat weet ik nog goed.”
Deborah: “We vonden het direct heel leuk! Als het ’s ochtends chaos was in huis, hielpen wij met flesjes geven. En na schooltijd speelden we met ze. Omdat we crisiskindjes gewend waren, hebben we wel aan onze ouders gevraagd of Janice en John ook weg moesten. Gelukkig was dat niet zo.”
Rozemarijn: “Als de kleintjes ’s avonds al op bed liggen en wij nog met z’n vieren zijn, bedenk ik me soms hoe het óók had kunnen zijn. Gewoon een gezin met papa, mama, Deborah en ik. Dat is een gekke gedachte. Maar ik zou het niet anders willen!”
Deborah: “Pleegzorg is heel logisch in ons leven verweven geraakt. We hebben er zelfs allebei een spreekbeurt over gehouden.”
Rozemarijn: “Ja, met playmobil-poppetjes, haha! Het voelt zo normaal voor ons. Ik kan me best voorstellen dat ik later zelf ook kinderen zou opnemen. Het brengt zoveel gezelligheid.”
Rozemarijn: “Natuurlijk hebben we ook weleens ruzie. Dat is gewoon irritant. Dat ligt niet aan Janice en John, maar gewoon het feit dat we broertjes en zusjes van elkaar zijn.”
Deborah: “Pas moest ik nog heel hard om John lachen. We waren op kraamvisite en bij het zien van de box, vraagt hij: ‘Moet de baby in de bench slapen?’ Als jongste van het gezin, weet hij natuurlijk niet hoe het is om een baby in het gezin te hebben. Zo komisch!”
Rozemarijn: “Of wanneer ze op vakantie aan iedereen vertellen dat ze twee papa’s, twee mama’s en wel drie opa’s en oma’s hebben, haha!”
Rozemarijn: “Eens in de zoveel tijd zien John en Janice hun biologische ouders. We krijgen daar nooit zoveel van mee. Het voelt ook niet gek of zo.”
Deborah: “Het kan natuurlijk zo zijn dat ze, als ze ouder zijn, nieuwsgieriger worden naar hun biologische ouders. Maar voor hun eigen veiligheid en stabiliteit blijven ze bij ons totdat ze 18 zijn. Stel dat ze wel morgen zouden moeten vertrekken, dan zou ik daar echt kapot van zijn. Sommige pleegkinderen worden namelijk wel vijf, zes of zeven keer overgeplaatst naar een ander gezin. Maar dat gaat met John en Janice gelukkig niet gebeuren.”
Deborah: “Als ik later zelf een gezin heb, zou ik zeker overwegen om ook pleegkinderen op te nemen. In die zin kan ik het ook aanraden. Natuurlijk is de leeftijd en het karakter van het kind best bepalend, en moet je het leuk vinden om met veel mensen samen te wonen. Ik vind dat zelf heel gezellig.”
Rozemarijn: “Ja, ook ik zou het later misschien wel doen. Als Janice in de auto haar hoofd op mijn schouder legt en in slaap valt, vind ik dat supermooi. Het is echt een cadeau dat wij John en Janice mogen hebben!”
*Het pleegbroertje en -zusje van Rozemarijn en Deborah heten eigenlijk anders. In verband met hun privacy hebben wij hen andere namen gegeven.