Icon--npo Icon--eo Icon--instagram Icon--clock Icon--theme Icon--location Icon--tag Icon--twitter Icon--whatsapp Icon--comment Icon--audio Icon--mail Icon--video Icon--image Icon--search Icon--spotify Icon--facebook Icon--snapchat Icon--youtube Icon--smiley Icon--menu Icon--chevron-down
4 December 2018

"Ik vond het niet gek dat je kaal was en een slangetje in je neus had"

Ze zaten naast elkaar in een Fries kleuterklasje, speelden in de zandbak, dansten in hun nakie in de woonkamer en verkleedden zich als prinsesjes. Anouk en Eline (allebei 15 jaar) deden alles samen. Totdat Anouk leukemie kreeg en naar de andere kant van Nederland moest verhuizen

Missen

Anouk: “Ik weet nog dat we naar Brabant verhuisden, waar mijn hele familie woonde. Ik denk niet dat mijn ouders hadden verwacht dat ik je zo zou missen.”

Eline: “Dat denk ik ook niet. We waren nog maar 4 jaar. Je hoort bijna nooit van een kind: ‘O, ik mis mijn vriendin uit een verre provincie zo erg.’”

“Nee, inderdaad. Mijn moeder vertelde dat ik de oren van haar hoofd zeurde, omdat ik zo graag met jou wilde spelen. De eerste keer dat we elkaar weer zagen, bezochten we de kinderboerderij.”

“We dansten in prinsessenjurken van K3.”

“We zijn ook een keer naar een museum geweest. Daar lagen we in zo’n ouderwets bed.”

“Haha, dat herinner ik me nog! In het openluchtmuseum van Arnhem.”

Dingen doen

“Het is veel specialer als wij elkaar nu zien. We gaan altijd iets leuks doen. We zitten niet bij elkaar in de klas, dus praten we niet over het huiswerk van Frans. We doen altijd lekker gek: een fotoshoot, barbecue, naar de dierentuin. Dat doe ik niet met vriendinnen uit mijn klas. Ik vind het fijn dat we elkaars vrienden niet kennen. We hoeven nooit te praten over die vriendin die dat vriendje van een andere vriendin heeft afgepakt. We don’t care, we kennen hen toch niet.”

“Vriendinnen op school zie je elke dag. Je weet precies wat ze doen en waar ze mee bezig zijn. Elke keer als wij elkaar zien, is het een beetje een verrassing. Hoe zal het gaan?”

“Soms zien we elkaar een half jaar niet. Er kan zo veel gebeuren in zes maanden! We appen niet hele verhalen naar elkaar, maar als ze mij vragen om mijn top drie beste vriendinnen, zit jij er sowieso tussen.”

“Echt?”

“Ja, gekkie! Je bent een heerlijk mens. Je hebt een enorme zelfspot en daar houd ik van. Als je iets doms doet, kunnen we daar samen om lachen. You don’t care, je probeert niet perfect te zijn.”

“Bij jou heb ik het gevoel dat ik mezelf kan zijn. Ik ben wat verlegener dan jij. Als we patat moeten halen, durf ik dat niet zo goed …”

“Ik roep gewoon: ‘Mag ik een patatje?’”

“Precies, jij bent dapperder dan ik. In de kleuterklas was ik zo trots dat jij mijn vriendinnetje was. Mijn moeder vertelde dat jij altijd heel enthousiast zwaaide als we elkaar tegenkwamen op weg naar school. Dan begon ik helemaal te glunderen.”

Door dik en dun

“Je bent wel zekerder geworden, hoor! Het is grappig om daarover na te denken: elke keer als we elkaar zien, zijn we allebei veranderd.”

“We moeten altijd even opwarmen. Dat is soms best ongemakkelijk.”

“Dan sta jij opeens voor mijn deur, terwijl ik je al een hele tijd niet meer heb gezien. Na een uurtje is het weer goed. We kunnen onszelf zijn bij elkaar, zo gek doen als we willen. Dat is fijn. We hebben elkaar niet zien opgroeien, maar jij hebt mij meegemaakt op mijn zwakste punt.”

“Ik heb je nooit gezien als een ziek meisje, je was altijd gewoon Anouk. Mijn moeder vertelde mij dat jij dat heel fijn vond. Je wilde niet gezien worden als dat zieke kindje met het slangetje in haar neus.”

“Ik vind dat nog steeds lastig. Het is niet fijn om alleen maar een ziek kind te zijn. Natuurlijk, wat ik heb meegemaakt, is een deel van mij, maar ik bén het niet. Natuurlijk zag ik er anders uit door de leukemie. Op mijn nieuwe school in Brabant werd ik gepest en buitengesloten. Kinderen renden echt voor mij weg. Ze wisten niet wat ze met mij aanmoesten en vonden mij een raar kind. Jij vond mij geen raar kind, jij vond het gewoon superleuk als je kwam spelen.”

Leukemie

“De kinderen in Brabant leerden je kennen toen je al ziek was. Ik kende je daarvoor al. Ik vond het helemaal niet gek dat je kaal was en een slangetje in je neus had.”

“De ziekte maakte me een ander kind, echt vrolijk werd ik natuurlijk niet van al die behandelingen. Dan is het fijn als iemand je uit die sleur haalt en zegt: ‘Kom, we gaan dansen in gekke K3-jurkjes.’”

“Als kind snap je niet echt wat ziek-zijn is. Mijn moeder zei dat je niet lekker in je velletje zat. Ze heeft mij nooit verteld dat je kanker had en misschien wel dood kon gaan.”

“Ik snapte niet waarom iedereen anders tegen mij deed. Op mijn vierde verjaardag lag ik in het ziekenhuis en zei ik tegen mijn moeder: ‘Het maakt niet uit mam, we vieren mijn verjaardag wel een andere keer.’ Terwijl ik bijna dood kon gaan. Gelukkig hadden wij dat allebei niet door. Voor jou was ik niet anders, en ik denk dat dat heel erg bijdroeg aan het feit dat we elkaar zo graag wilden zien.”

“Het is niet zo dat onze ouders goed bevriend waren en dat wij het maar met elkaar moesten doen. Onze vriendschap kwam echt vanuit onszelf. We hebben elkaar na de verhuizing veel brieven geschreven. Toen we ouder werden, gingen we skypen en bellen. Soms hingen we uren aan de telefoon.”

“Als ik niet zo had gezeurd dat ik jou weer wilde zien, was die afspraak er nooit gekomen. Dan waren we verdergegaan met ons leven en waren we elkaar misschien vergeten. Dat we elkaar als kindjes van 3 of 4 jaar al zo erg misten, zegt veel over onze vriendschap. Ik moest in Brabant opnieuw beginnen, maar ik wist zeker: er is iemand, heel ver weg, die is van mij, en daar komt niemand aan.”

Beeld: McKlin Fotografie

Dit interview met Nelleke vind je in ons laatste magazine! Heb jij al een abonnement? Vraag een gratis proefnummer aan!

Volg ons