Icon--eo Icon--instagram Icon--clock Icon--theme Icon--location Icon--tag Icon--twitter Icon--whatsapp Icon--comment Icon--audio Icon--mail Icon--video Icon--image Icon--search Icon--spotify Icon--facebook Icon--snapchat Icon--youtube Icon--smiley
19 februari 2018

Ik woon op kamers in mijn eigen lichaam

Ik heb een kamer. Ik woon er fijn. Tenminste … meestal. Soms gooi ik mijn kamer overhoop. Het is er dan een rommeltje. Op tijden ben ik geenszins tevreden met de schikking van mijn eigen interieur, of met de langsgekomen visite die alle breekbare bezittingen heeft gesloopt. Waarom laat ik hen nog toe in mijn kamer? Het was er zo fijn. Nu is de sfeer weg, kan ik opnieuw beginnen. Dat denk ik dan, liggend tussen de rotzooi van de afgelopen weken.

Na wat zemelen en dralen sta ik op. Dan sluit ik de deur, stof de foto’s af, poets de ramen, geef de vergeten planten water, en neurie een liedje; tot alles blinkt en schittert. Totdat de kamer wederom mijzelf weerspiegelt. Tevens gooi ik olie op de scharnieren, zodat mijn deur de kloppende gast hartelijk zal verwelkomen. Soms gooi ik dingen weg; heb ik ruimte nodig, ruimte om te kunnen leven en bewegen in mijn kamer. Het is er dan te vol met overbodig materieel. Of ik zet een deur open: om te luchten en de opgehoopte stank te verdrijven.

Mijn kamer kan pas na een stevige schoonmaak mijn tevredenheid afdwingen. Dan laat ik weer visite toe. Bekenden vooral, maar ook nieuwe bezoekers, die later vaste vrienden óf inboedelslopers blijken. Ik durf mijn kamer te ontgrendelen, andermaal te openen voor de buitenwereld. Natuurlijk kan hij mooier. Maar ja, ik ga er weer in leven, verder leven vooral. In een iets andere kamer dan voorheen; die veel lijkt op de vorige … eigenlijk op een haar na exact dezelfde is.

Ik heb een kamer: mijn lichaam. Zo nu en dan is het een bende, een en al ellende.

Ik heb een kamer, al 24 jaar. Deze kamer is mijn lichaam. De zorgvuldig opgehangen foto’s zijn mijn herinneringen, de ramen mijn (beperkte) zicht op de buitenwereld, de meubels mijn organen, de visite is mijn liefde, en de deur mijn hartklep. Ik bepaal wat en wie ik toelaat; ben mijn eigen lijfwacht. Soms glipt er een griepje tussendoor, of een stofwolk; bij tijd en wijle een vlammetje. Het is ook niet te voorkomen. Mits de indringer niet mijn totale kamer verwoest, kan ik verder. Verder met mijn lichaam; dat ik zelf leef, onderhoud en bescherm.

Ik heb een kamer: mijn lichaam. Zo nu en dan is het een bende, een en al ellende. Dan ren ik ervoor weg, soms dagenlang. En toch: alsmaar kom ik terug, begin ik met opruimen, tot het binnen de wanden van mijn eigen vlees weer leefbaar is. Bij anderen gaat het net zo. Slechts enkelen verbouwen hun kamer totaal, of vernietigen hem weloverwogen. Ze bezitten een onherstelbare hekel aan hun verkregen ruimte en alles wat zij al die jaren heeft ingelijfd. Goddank is dat zelden het geval en voldoet voor velen de aangeboren behuizing van onze ziel.

Ik heb een kamer. Jij hebt een kamer. Gekregen van God. Ruilen kunnen we niet, alleen ons eigen hoekje terdege onderhouden, er voldaan en gelukzalig in verblijven. We mogen de ruimte van de ander waarderen, bewonderen en erkennen. Alle jaren dat we samen op deze aardbodem vertoeven.

Ik heb een kamer: mijn lichaam. Ik voel me er thuis.

Deze column staat in het nieuwe BEAM-Magazine. Vraag 'm gratis aan!

Volg ons

© Evangelische Omroep - Algemene voorwaarden