Icon--eo Icon--instagram Icon--clock Icon--theme Icon--location Icon--tag Icon--twitter Icon--whatsapp Icon--comment Icon--audio Icon--mail Icon--video Icon--image Icon--search Icon--spotify Icon--facebook Icon--snapchat Icon--youtube Icon--smiley
20 januari 2018

COLUMN: De vrouw gehuld in zwart

Ze is van top tot teen gehuld in het zwart, haar haren verstopt onder een hoofddoek, een moeilijke blik in haar ogen. Zo iemand die ik op straat in Nederland makkelijk voorbij zou lopen, met mijn vooroordeel al klaar. Iemand waarmee ik niks deel, heb of kan.

Ik zie de vrouw in het zwart lopen in het vluchtelingekamp op het Griekse eiland Samos, waar ik op dat moment als vrijwilliger werk. Of iemand haar naar het ziekenhuis kan brengen, vraagt een collega. De vrouw heeft suikerziekte, heeft de hele dag niet gegeten en tóch is haar bloedsuikerspiegel veel te hoog. In het vluchtelingenkamp is er geen dokter meer die haar kan helpen. Het lijkt ook niemand uit te maken of de vrouw überhaupt geholpen wordt. De politie, het leger, de Griekse dokters: ze lijken afgestompt door de hoeveelheid ellende die ze dag in dag uit voor hun kiezen krijgen.

Ik steek mijn hand op. Ik kan best met haar mee. Bovendien hoef ik de vrouw alleen maar af te zetten. Er gaat een vertaler mee die haar probleem kan uitleggen aan de dokter. Appeltje eitje.

Zuchtend staat de vrouw in het zwart op en leunt zachtjes op mijn arm. Ik pak haar tas en we lopen langzaam naar het busje dat al voor de ingang van het vluchtelingenkamp klaarstaat. Ze kreunt als ze instapt. We rijden naar het ziekenhuis. Steunend aan mijn arm lopen we naar binnen. Ik verwacht het ergste. Dit ziekenhuis wordt overspoeld door vluchtelingen en de hoge werkdruk maakt de sfeer er niet beter op. “Ga maar naar de apotheek en koop medicijnen”, is de reactie van een verpleegster – zonder de vrouw in het zwart ook maar één blik te gunnen – als ik haar uitleg wat de situatie is. Maar de apotheek is al dicht en bovendien hebben we een verwijzing van een Griekse dokter, is mijn antwoord.

Ik hoop dat ik haar verkeerd begrijp, maar ben bang van niet

We worden naar de wachtkamer gedirigeerd en wachten. In principe kunnen we de vrouw in het zwart en de vertaler alleen laten, maar ervaring leert dat een blanke huid, een T-shirt met het logo van een organisatie erop en doorvragen een verschil kan maken tussen behandeling en afpoeieren.

Na een tijdje worden we binnengeroepen. Een verpleegster doet wat testjes. De vrouw in het zwart slaakt een kreet als de naald in haar arm schiet. Ik kijk meelevend toe, maar zie elke handeling die wordt verricht als pure winst. De vrouw sluit vermoeid haar ogen en laat alles over zich heenkomen. Of ik de buisjes met haar bloed even naar het lab wil brengen, vraagt de dokter. Over een uur zijn de resultaten er. In de tussentijd mogen we terug naar de wachtkamer.

Overdreven articulerend doe ik een poging de vrouw iets beter te leren kennen. Waar ze vandaan komt, of ze kinderen heeft, met wie ze hier is, vraag ik haar. Ze komt uit Syrië. “Problems”, dat woord kent ze nog net. Ze maakt een wiegend gebaar en steekt zes vingers op. Zes kinderen heeft ze dus. Drie daarvan zijn met haar op het kamp, één zit nog in Turkije, weet ik te ontcijferen.

En de andere twee? Ze wijst naar haar ogen en sluit ze. Ik hoop dat ik haar verkeerd begrijp, maar ben bang van niet. Twee kinderen is ze verloren. Dikke tranen biggelen over het gezicht van de vrouw. Ook al zou ik haar taal spreken, ik zou niet weten wat ik zou moeten zeggen. Ik sla een arm om haar heen en mompel iets over hoe erg ik het vind. Ik zoek naar een tissue en reik die haar aan. Alle verschillen en vooroordelen van mijn kant richting de vrouw in het zwart vallen weg. “Thank you, thank you, thank you”, blijft ze herhalen. 

De resultaten zijn er en de dokter roept ons binnen. Haar suiker is inderdaad veel te hoog, daar kan alleen insuline – om de bloedsuikerspiegel te verlagen – niet tegenop. Dus krijgen we een pil voorgeschreven die we morgen bij de apotheek kunnen halen. De vrouw in het zwart zal de nacht dus door moeten komen zonder medicatie. Na overleg met een collega, die huisarts is, dring ik er bij de dokter op aan om de vrouw tóch insuline te geven. De dokter twijfelt even, maar stemt toe. En als we die pil voor vannacht alvast willen hebben, kunnen we die zelf wel even op de derde verdieping van het ziekenhuis halen. Bingo. 

Als we terug op het kamp zijn, krijg ik een enorme knuffel van de vrouw in het zwart. Ze is zo, zo, zo dankbaar, blijft ze via de vertaler herhalen. “Als God het wil”, zegt ze glimlachend”, hoop ik dat jullie veel kinderen krijgen. En mijn kleinkind vernoem ik naar jou.”

Charlotte

Volg ons

© Evangelische Omroep - Algemene voorwaarden