Icon--eo Icon--instagram Icon--clock Icon--theme Icon--location Icon--tag Icon--twitter Icon--whatsapp Icon--comment Icon--audio Icon--mail Icon--video Icon--image Icon--search Icon--spotify Icon--facebook Icon--snapchat Icon--youtube Icon--smiley
28 september 2017

'Mijn broers probeerden mij te vermoorden'

Jozef was niet bepaald bescheiden. Je zou haast zeggen dat hij een zeventienjarige snotneus was. Het liefst schepte hij de hele dag op over hoeveel zijn vader Jacob hield van hem. Jozef was zonder twijfel de lievelingszoon, want Jozef was het enige zoontje van de lievelingsvrouw van Jacob: Rachel.

Hij tergde zijn broers tot ze alle tien groen en geel keken van jaloezie. Hij bleef maar praten over de dromen die hij had, de visioenen. “Moet je horen”, riep hij dan. “Wat ik nu toch heb gedroomd.” Bij het horen van deze woorden wilden zijn broers het liefste wegrennen, zich verstoppen achter een grootste steen. Ze konden Jozef niet uitstaan.

Jozef vertelde over zijn droom. Hij had zichzelf en zijn broers zien werken op het land. Ze waren schoven aan het binden (van die torens hooi). De schoof van Jozef ging rechtop staan, terwijl de schoven van zijn broers om hem heen gingen staan en voor hem bogen. Toen hij zijn droom had verteld werden zijn broers boos: “Wie denk je wel niet die je bent? Denk je soms koning over ons te worden? Wil je de baas over ons spelen?”

Jozef ging natuurlijk gelijk naar zijn vader. “Pap”, zou hij zomaar kunnen hebben geroepen. “Ze pesten me.” Jacob zou ongetwijfeld zijn armen vaderlijk om hem heen geslagen hebben en hij zou gezegd hebben: "Ach, kom maar mijn lieve Jozef, ze bedoelen het niet zo." Om Jozef te troosten gaf Jacob hem een prachtige jas met allemaal kleuren.

Kijk wat papa mij heeft gegeven

Jozef, die kleine opschepper, ging natuurlijk gelijk met die jas naar zijn broers. “Kijk wat papa mij heeft gegeven,” riep hij met een ondeugende blik in zijn ogen. Zijn broers probeerden hem te negeren, maar dit was de druppel. Ze moesten hem een lesje leren. Later, want nu gingen ze op pad met de schapen.

Jozef werd erop uitgestuurd om te kijken hoe het met zijn broers en de schapen ging. Inmiddels hadden ze elkaar al een paar dagen niet gezien. De broers hadden een snood plannetje bedacht. Ze zouden hem vermoorden.

Ruben vond dat geen goed idee en zei: “Laten we hem niet doden, ik wil niet dat er bloed vloeit. Laten we hem gewoon achter laten in de put.” Niet dat Jozef dan niet dood zou gaan. Maar Ruben had een plan, later zou hij Jozef weer bevrijden.

Zo gezegd, zo gedaan. Ze pakten Jozefs jas af en gooiden hem in de put. De jas besmeurden ze met bloed. Zo leek het net alsof Jozef was aangevallen door wilde beesten. Voordat ze naar huis gingen aten ze nog even wat bij de put. Ze negeerden het geroep en gejammer van hun kleine broertje en genoten van hun brood. In de verte zagen ze een groep mensen aankomen, een karavaan. Juda zag gelijk een mogelijkheid. Waarom Jozef dood laten gaan als we er ook nog geld mee kunnen verdienen? Twintig sjekel, handje contantje, dat was hun broer waard. 

De karavaan bracht Jozef naar Egypte. Daar komen al zijn dromen uit en redt hij ook nog eens het leven van zijn broers en zijn vader. Benieuwd hoe? Lees het verhaal van Jozef hier!

Volg ons

© Evangelische Omroep - Algemene voorwaarden