Icon--eo Icon--instagram Icon--clock Icon--theme Icon--location Icon--tag Icon--twitter Icon--whatsapp Icon--comment Icon--audio Icon--mail Icon--video Icon--image Icon--search Icon--spotify Icon--facebook Icon--snapchat Icon--youtube Icon--smiley
13 januari 2016 Reageer

COLUMN: Het moment dat er een pistool op mij werd gericht

De straat is verlaten, leeg. De wind waait zachtjes door mijn haar. Door de kou beginnen mijn vingers langzaam rood te kleuren. Maar ik kan ze niet in mijn zak steken. Koortsachtig houd ik mijn tas stevig vast.

Met gebogen hoofd loop ik naar de overkant. Het begint te regenen. Als ik mijn capuchon op doe, hoor ik geschreeuw, misschien een straat achter me. Ik zet het op een rennen en schiet snel een steegje in. Met mijn koude vingers ruk ik de putdeksel van zijn plek. Het geschreeuw komt dichterbij. Ik hoor mensen rennen. Ik laat mijn tas door het gat vallen en als ik een doffe klap hoor, laat ik mezelf ook zakken. Koortsachtig probeer ik de putdeksel weer terug te schuiven, door het laatste kiertje kan ik nog net een groepje mannen in zwart uniform voorbij zien marcheren. Opgelucht vervolg ik mijn reis.

Ik klem mijn tas weer onder mijn arm. Dagelijks loop ik deze route, en ik weet precies waar ik heen moet. Links en rechts liggen er mensen langs de richel te slapen. Sommige in slechts hun kleren, anderen onder een deken. Ik knijp mijn ogen dicht en doe snel een schietgebedje ze. Na een kwartier door het riool te hebben gelopen, kom ik bij een ladder uit. Voorzichtig klim ik omhoog. Ik moet knipperen bij het zien van het daglicht, maar ben blij dat ik de patrouille ontvlucht ben. Bij die gedachte voelt de inhoud van mijn tas nog zwaarder aan.

Ik neem plaats op het bankje op het perron. Mijn trein zal er zo wel aankomen. De lucht is donkerder geworden. Op het andere perron zit een man ineengedoken voor zich uit te staren. Van de stationshal is jammer genoeg niks meer over. Een paar bakstenen zijn het enige bewijs dat hier ooit een prachtig station stond. Als de trein het station binnenrijdt stap ik haastig in. Mijn tas nog steeds dicht tegen mij aan. Met een diepe zucht ga ik zitten. Maar zodra de deuren dichtgaan hoor ik zware stemmen en weet ik dat het mis is.

Zwart petje en een zwart uniform. Hij komt steeds dichterbij en ik verstijf. Ik hoef maar één halte maar ik zit in de val. “Mag ik je paspoort zien?” Gehoorzaam geef ik hem mijn paspoort. Onbewust schuif ik mijn tas onder mijn jas, maar het mag niet baten. “Esther, wat heb je in je tas?” Hij staat recht voor me. Zijn neus een beetje scheef. Donkere ogen kijken me doordringend aan. Ik ben niet in staat wat te zeggen en begin wat te stamelen. “Ik ga het niet nog een keer vragen,” zegt de man met zijn zwartje petje en zwarte uniform. Ik voel dat er mensen naar me kijken, dat er zweetdruppeltjes over mijn voorhoofd lopen en mijn tas lijkt wel een zak stenen. Als de trein een scherpe bocht naar links maakt grijp ik mijn kans en zet het op een rennen. Ik geef de man een zet en hij struikelt over de voeten van de vrouw naast me. Terwijl ik wild aan de coupédeur trek hoor ik een vaag gegrom achter me. Ik wurm me door het kleine kiertje van de deur en ren net zolang dat ik bij de laatste coupé ben aangekomen. Ik kan geen kant op. Als een verloren schaapje zie ik de man dichterbij komen. Zijn pistool in de aanslag.

Hij begint langzamer te lopen als hij merkt dat ik vast zit. Er krult een tevreden lachje op zijn gezicht. Benauwd hap ik naar adem. Dan schiet me iets te binnen. Snel ruk ik de sjaal van mijn nek en wikkel hem om het handvat van de coupédeur en maak ik het uiteinde vast aan het blauwe klapstoeltje naast de deur. Vaag hoor ik de conducteur omroepen dat we Hilversum Sportpark naderen. De man met het zwarte petje en het zwarte uniform ziet wat ik aan het doen ben en rent woedend naar de deur. Woest begint hij er aan te trekken, maar de deur zit muurvast. Doodsbang staar ik in de donkere ogen van de man die aan de andere kant van het glas verwoede pogingen doet om de deur open te trekken. Terwijl hij drie stappen achteruit zet en zijn pistool op het raam richt, komt de trein tot stilstand en gaan de deuren open.

Zo hard als ik kan sprint ik de trein uit. Achter me hoor ik knallen en brekend glas. Met de tas onder mijn arm dwing ik mezelf nog harder te rennen. Hijgend stop ik bij een oud klooster. Ik kijk om me heen en constateer dat ik de man heb afgeschud. Buiten adem loop ik naar de wijnrank tegen de muur. Met tranen in mijn ogen duw ik wat blaadjes opzij en trek ik aan de verborgen deurknop. Ik weet dat ik nooit meer naar huis kan. Ze hebben mijn paspoort.

Maar ik ben geslaagd. Op de redactie van de EO slaan ze me op mijn schouder. Een collega barst in huilen uit. Midden op tafel ligt de inhoud van mijn tas, het is een boek. Maar niet zomaar een boek, het is De Bijbel. De eerste Bijbel die we sinds jaren weer in handen hebben. Nu kunnen we vanuit onze schuilplaats eindelijk weer mensen over Jezus vertellen.

Vandaag is de Ranglijst van vervolgde christenen Open Doors 2016 gepubliceerd. Hieruit blijkt dat het aantal vervolgde christenen wereldwijd extreem is toegenomen. Bekijk de ranglijst hier.

Gelukkig kan ik zeggen dat ik zo’n situatie nog nooit echt heb meegemaakt, maar voor christen van over de hele wereld is dit de realiteit van de dag. Lees hier en hier het verhaal van jongeren die daadwerkelijk in hun thuisland worden vervolgd om hun geloof.

Tekst: Esther Bolt
Foto: Mark Mook

Reacties

Wanneer je cookies in de categorie Overig accepteert vind je hier NPO Selected.

Volg ons

© Evangelische Omroep - Algemene voorwaarden